ik ben geen lieflijke dichter
 ik ben de schielijke oplichter
 der liefde, zie onder haar de haat
 en daarop een kaaklende daad.
  
 lyriek is de moeder der politiek,
 ik ben niets dan omroeper van oproer
 en mijn mystiek is het bedorven voer
 van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.
  
 ik bericht, dat de dichters van fluweel
 schuw en humanisties dood gaan.
 voortaan zal de hete ijzeren keel
 der ontroerde beulen muzikaal opengaan.
  
 nog ik, die in deze bundel woon
 als een rat in de val, snak naar het riool
 van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
 hoon nog deze veel te schone poëzieschool.