Langs het fietspad
droomt de Lindt
van helder stromend water.
De zon vormt in
de schrale wind
een stammenschaduwspel;
in lijnen op het grijs
schijnen bomen antraciet.
Langs riet drijft vliezig ijs.

De zingende fietser,
een lint in het haar
plet dromerig de schelpen.
De populieren wiegen
het ritme van haar lied.
Bij het "verlangt
mijn ziel naar U"
mindert ze vaart.

Langs het fietspad
hoort de Lindt
een stroom van levend water,
de Zon vormt in
de oostenwind
een pakkend takkenspel;
de lijnen in het grijs
schijnen herten uit het niets,
zich lavende aan smeltend ijs.

Uit de bundel “Verstillend Licht” (2012)